Met mijn interviews onderzoek ik wat obsoletie nou echt betekent voor de dagelijkse praktijk. Obsoletie betekent veroudering van menselijk kapitaal. Zoals machines kunnen verouderen, zo kan dit ook gebeuren met de vermogens van mensen.

Er zijn een aantal verschillende vormen van obsoletie:

  • Technische obsoletie: fysieke en geestelijke slijtage en vermogens die je kwijtraakt als je ze niet gebruikt. Slijtage is een onomkeerbaar proces maar wordt versneld door overbelasting.
  • Economische obsoletie: je kennis en vaardigheden verouderen of raken raken overbodig. Maar ook functies en banen die verdwijnen door technologische ontwikkelingen.
  • Perspectivische obsoletie: je opvattingen ten aanzien van de ontwikkelingen in je werk raken verouderd. Mensen vinden je ouderwets en nemen je daardoor niet serieus. Vaak verlaten deze mensen teleurgesteld de arbeidsmarkt.

In deze podcast interview ik Ton. Hij werkt al 35 jaar als grondwerker en voorman. Een ontzettend zwaar beroep waar je veel technisch inzicht moet hebben en constant je kop erbij moet houden.

Ton vertelt vol passie over zijn vak en waarom het misschien wel een van de belangrijkste functies in de ploeg is. We bespreken ook de veranderingen in het vak en de problematiek van jongere opvolging. Hoe is dat eigenlijk als je bijna aan het einde van je carrière bent, maar geen opvolger hebt waaraan je je kennis kunt overdragen?

“Was het maar net als vroeger. Ik had een voorman en hij heeft mij nog letterlijk voorgedaan hoe ik moest graven met een schop. Ik denk ja, jongen, lul toch niet, dat kan ik wel. Maar toen zaten we in de klei en brak ik weer een schop. Dan zei hij boos: alweer een schop? En dan deed hij het weer voor. Nu zie ik mensen weleens met een schop werken en dan denk ik: jongen, als je zo blijft werken, dan haal je het einde van het jaar niet.” Ik help die jongen dan natuurlijk, maar dat is wel jammer, de grondwerker wordt niet meer echt opgeleid.”– vertelt Ton.

Veel plezier met het luisteren naar de podcast. Hieronder kun je het interview ook lezen.

Interview Ton van de Ven

ANGELA: Welkom Ton. Wat leuk dat je mee wilt doen aan dit interview. Kun je jezelf even voorstellen?

TON: Ik ben Ton van de Ven. Ik ben voorman bij een kabelploeg, ik denk al wel 27 jaar volgende maand.

ANGELA: Oké. En wat houdt dat precies het werk van een voorman?

TON: Het werk van een voorman houdt in we krijgen via de iPad klikgegevens, ik krijg een map aangediend waar we moeten werken.  Hoe we moeten werken dat moeten we zelf uitvinden. Daar zijn we voorman voor. En aan de hand van de klikgegevens en aan de hand van de projecttekening gaan we een project uitvoeren. En zetten we de jongens aan de gang. We gaan eerst de wegafzetting in orde maken. En dan zetten we de jongens aan de gang en gaan we nog eens een keer over de projecttekening en door de map heen kijken en zodoende, ja, dan begint het.

ANGELA: Ja. En het project houdt in kabelwerk?

TON: Ik zit altijd in kabelwerk. Ja. Bijna altijd.

ANGELA: En wat voor kabelwerk? Wat is dat precies dan?

TON: Wij leggen hoogspanning, middenspanning en laagspanning. Allemaal kabels. Ik zit niet in de huisaansluiting, niet in de openbare verlichting. Puur alleen in die kabelwerken.

ANGELA: Oké. En dat doe je al meer als 27 jaar vertel je?

TON: Ja, als voorman denk ik iets minder. Maar het werk op zich doe ik al dik 35 jaar. Ik ben pas, 1,5 jaar geleden, nog gehuldigd voor 25 jaar. En daarvoor heb ik ook een periode van 10 jaar, nou bijna 12 jaar, gewerkt bij dezelfde firma.

ANGELA: En hoe ben je ooit begonnen?

TON: Ik ben begonnen als grondwerker. Ben ik nog steeds, grondwerker, vind ik. Maar ik ben begonnen als grondwerker en ja, op een gegeven moment heb ik wat cursussen gedaan.

ANGELA: En wat is een grondwerker precies? Wat doet die?

TON: Een grondwerker dat is degene die de hele dag met een schop staat te werken. En toen ben ik zo achter de graafmachine gekomen om te peilen en om te zorgen dat er niks kapot gaat. Misschien wel de belangrijkste taak binnen een ploeg. Maar ja, dat dringt tot de mensen ook niet door. Want als je een goede grondwerker hebt, die moeten ze echt heel goed in ere houden. Ik denk dat dat te weinig gebeurt.

ANGELA: Het is dus echt een vak?

TON: Dat is echt een vak.

ANGELA: En wat maakt dat het echt een vak is, grondwerker?

TON: Ik heb in mijn ploeg een grondwerker zitten die zelden iets kapot trekt. Maar ik kom ook weleens bij ploegen en dan lopen er monteurs achteraan om alles te repareren. Dus dat is een inzicht wat je hebt in de grond. Je ziet dat het gemengd is. Dan weet je dat er al iets zit. Je komt stenen tegen. Dan weet je, oh, dat is niet normaal. Normaal is gewoon zand. Dan weet je al dat er iets zit. En aangezien wij veel in de binnenstad van Eindhoven werken, nou, daar zit overal wat. Dus dat is echt opletten geblazen. Hard werken ook.

ANGELA: En zo ben je dus ooit begonnen? Als grondwerker?

TON: Ja, zo ben ik begonnen. En dat heb ik jaren gedaan. Ja, ook alles bij mekaar bijna 10 jaar. En op een gegeven moment, ja, dan heb je een ploeg met echte kabelmensen. Daar leer je een heleboel van. Toen heb ik nog gevraagd of dat ik geen monteur mocht worden, maar dat mocht ik niet want dan krijg je andere capaciteiten zei de directeur. Toen zat ik bij een andere firma. En ik zei, ik wil wel monteur worden, want ik dacht dan bij mezelf dit houd ik nooit tot mijn 60-65 vol. Dus ik denk als ik dan monteur word. Maar hij zei, nee, jij hebt andere capaciteiten. We hebben met jou andere plan. En toen werd ik dus voorman.

ANGELA: En welke capaciteiten zagen zij in jou?

TON: Nou, ik schijn redelijk met andere mensen op te kunnen schieten.

ANGELA: Belangrijk ja.

TON: Motiveren. Alleen ja, dat valt wel steeds veel moeilijker. Al hoewel ik moet zeggen als ik van een andere aannemer jongens in de ploeg krijg, en ze weten dat ze bij mij moeten komen dan 9 van de 10 keer hebben ze wel redelijk goede zin. Ik weet dan ook meestal binnen 10 minuten wat voor vlees dat ik in de kuip heb.

ANGELA: Nee, maar dat is ook wel heel belangrijk, dat je gewoon heel snel kunt bepalen wat voor vlees dat je in de kuip hebt. Aangezien zo’n project,  dat moet gewoon goed gebeuren.

TON: Dat moet. Ja. Ja, zeker.

ANGELA: Oké. Dus toen ben je een aantal cursussen gaan doen en toen ben je voorman geworden. En wat zijn een beetje de ontwikkelingen die je door de jaren hebt gezien in jouw vak?

TON: Ik weet niet of het een goede ontwikkeling is, maar in het begin dat ik dit werk deed als voorman, had ik heel groot kabelwerk. En nou is het, door omstandigheden, is dat allemaal iets minder geworden. Hebben we nog weleens af en toe een kabelwerk. En ik heb het geluk dat ik altijd naar die kabelwerken heen mag, want er zijn wel een ploeg of vier. Maar ik mag meestal naar de grotere kabelwerken.

ANGELA: En met grotere kabelwerken bedoel je grotere projecten?

TON: Ja, grotere projecten. Grote projecten worden bij ons vind ik wel iets minder hier. Schijnt in andere districten wel iets anders te zijn. Maar hier is het wat minder. En ja, wij zitten nou met die kleinere projecten en dat betekent wel dat je meer arbeid moet verrichten.

ANGELA: Want hoe ziet dat er dan uit, zo’n kleiner project? Groot project kan ik me voorstellen daar zit heel veel voorbereiding in, maar als dat dan eenmaal staat dan ben je ook een langere tijd bezig. Hoe is dat voor kleinere projecten?

TON: Voor kleinere projecten dat is altijd afwachten. Vandaag klaar, morgen ergens anders starten. Dat betekent wel dat je je verkeersafzettingen over moet zetten, je moet, ja, allemaal dat soort dingen. Een beetje inspelen op de buurt. Wat is het voor een buurtje? Is het er druk? Want wij zitten dan vaak in het centrum van Eindhoven. En het centrum van Eindhoven dat is vaak druk met verkeer. Het is een grote stad. Dus dat is het punt. Dat is het grote verschil. En als jij een langdurig lopend project hebt dan graaf je het open, er worden kabels getrokken, er wordt dichtgemaakt. Volgende ligt alweer open en je gaat weer kabels trekken. Dan heb je meer regelmaat. En meer mensen.

ANGELA: Dus dat vraagt ook wel iets heel anders van mensen.

TON: Heel anders. Ja, en de mensen weten precies wat er aan de hand is. En dan zeggen ze ook wel ooit met die jongens kunnen we niks doen. Dan zeg ik ja, nou, wij kunnen er wel iets mee doen, want ze kunnen er zegels aan doen, aan de kabels en noem maar op. Dus er is dan altijd wel iets te doen. Bepaalde mensen moet je niet iets laten doen waar ze geen zin in hebben, maar ja, er is altijd wel iets te doen dan. Maar ja, dan zijn we ook maar met een beperkt aantal mensen.

ANGELA: Want je zei van voorheen waren het grotere projecten. Dat is nu minder. Nu zijn het voornamelijk kleinere projecten. Ik kan me voorstellen dat dat ook iets veranderd heeft aan de grootte van de ploegen die je dan aanstuurt. Klopt dat?

TON: Ja, dat klopt. Ik heb al verschillende keren aangegeven eigenlijk moest de ploeg iets groter zijn, en dan werd er van hogerhand uit gezegd ja, maar dit is maximaal want anders valt er niks te verdienen. Nou, ik denk niet dat het helemaal zo is, maar denk dat dat precies aan degene ligt die bij die ploeg staat, de voorman. Want er valt altijd wel iets te doen. Ja, niet als je alleen maar een kabeltje vrij hoeft te graven, want dan ben ik al ooit te veel. Maar als je door een straat moet graven en je moet dichtmaken en tegenwoordig doen we ook nog zelf het straatwerk maken. Dus er is altijd well iets te doen voor iemand.

ANGELA: En hoe ziet jouw ploeg eruit? Wat voor een functies of wat voor mensen werken er in je ploeg en hoeveel?

TON: We hebben op dit moment hebben we 1 machinist, een grondwerker die achter de machine staat. Komen ze obstakels tegen, slaan ze het over. En dan spring erbij om het vrij te graven. Onder kabels door of onder het riool door. Of net waar we moeten. Dan spring ik erbij. Als hun bijna klaar zijn, ga ik beginnen met kabelrollen in de sleuf te leggen en zo. Er wordt gebeld naar onze uitvoerders. En dan komen ze een kabel brengen. Die grondwerker die erachter de machine staat, is ook nog degene die tractor rijdt. Dus dan zorgen we dat een tractor op het werk is. Die staat ook meestal ergens in Eindhoven. Dan zorgen we dat die op het werk is. En die trekt die kabel. En als het goed is, kan die bijna overal bij. Als die er niet bij kan dan is het toch handmatig nog even een stuk kabel erin trekken of met het machientjes.

ANGELA: Je zegt als er iets in de weg ligt, een obstakel of wat dan ook, dan spring jij erin. Wat is dan het verschil tussen jou en de grondwerker dan?

TON: Als de grondwerker dat moet doen, staat die machine gewoon stil. Ja, soms mopper ik er weleens op, want dan is die echt alles aan het vrij maken, maar ja, dan is die na een half uur een meter verder. Terwijl ze gewoon doorgraven en 30-40 meter verder zijn, moet dat wel klaar zijn. En ik heb er geen hekel aan. Dat vind ik op zich ook wel mooi om te doen.

ANGELA: Ja? Wat vind je er zo mooi aan?

TON: Ja, het vrij graven en het goed maken. Ik word ook vaak ingezet om ergens kabels in te trekken bij andere ploegen. En dan kom ik grondwerk tegen, denk ik bij mezelf, daar krijg ik de kabel nooit van zijn leven in. Dus dan ben ik eerst een halve dag bezig bij wijze van spreken, om hoeken goed rond te maken en zoiets allemaal. Kijk, maar als we zelf allemaal graven, ja, nou, ja dan is dat wel goed. Gaat ook veel makkelijker.  En dan leg ik meestal de rollen erin en die jongens die zetten de kabel klaar en zetten de tractor klaar, stakabel erin en dan wordt die kabel erin getrokken. Dat is eigenlijk zo’n beetje ons werk op dat moment.

ANGELA: Mooi vak eigenlijk als ik dat zo hoor.

TON: Heel mooi.

ANGELA: Ik kan me ook voorstellen dat je dat al heel lang met heel veel plezier doet.

TON: Ik doe dat al lang met veel plezier, maar ja, ik was er toch nooit, ja, nooit, dat moet ik niet zeggen. In het begin, ik zou niet voor dit vak niet gekozen hebben.

ANGELA: Waarom heb je dit vak gekozen?

TON: Vrijheid. Ik ben op een gegeven moment, ik weet niet of dat relevant is, maar ik kwam van school af. Middelbare Landbouwschool, tuinbouw. Toen stond er al een baas die stond al klaar van kun je niet bij ons beginnen. Toen ben ik daar begonnen. Dat was een champignonkwekerij. Daar heb ik eerst een paar jaar in de teelt gezeten, vakschool gevolgd. En ik was 18 en toen vertelde ik tegen mijn baas dat ik ging vertrekken als de bedrijfsleider niet weg ging. En op een gegeven moment is de bedrijfsleider weggegaan en ben ik daar bedrijfsleider geworden. Heb ik twee jaar volgehouden. En toen kwam de firma waar ik nu werk. Ben ik daar begonnen. En na een jaar of 10 kwam iemand waar ik de vakschool mee gedaan had. En die zegt potverdorie, wij zoeken nog iemand voor bij ons voor de champignonkwekerij. Toen ben ik toch weer in die champignonkwekerij gegaan. Daar was heel veel veranderd in de tussentijd. Dus heb ik een jaar of drie denk ik ongeveer in de champignonkwekerij gewerkt, maar ja, op een gegeven moment miste ik het buitenleven en ben ik weer terug naar de firma gegaan. Dat is me eigenlijk goed bevallen. Ik zou eigenlijk als ik het allemaal geregeld had kunnen krijgen, had ik een switch gemaakt en was ik in de gezondheidszorg gegaan. Dat was eigenlijk mijn grootste-. Ja, dat heb ik altijd wel gedacht van oh, dat had ik nog lang moeten doen. 

ANGELA: Dat is echt iets heel anders.

TON: Ja. Iets heel anders. Maar dat heb ik wel altijd gewild. Ik heb me wel altijd aangetrokken gevoeld tot zoiets. En dan geestelijk gehandicapten of zo.

ANGELA: Ja. Wat trekt je daar dan in aan?

TON: Ja, de omgang met die mensen en zo. Ik ben in mijn vrije tijd ook 15 jaar met gehandicaptenvoetbal in de weer geweest. Elke zaterdag en meestal ook door de weeks nog. Ik heb dat toch altijd wel gewild. Maar op een gegeven moment had ik geïnformeerd, dan heb je school en noem maar op wat je nodig hebt. Mijn vrouw is toen arbeidsongeschikt geraakt. Die heeft 0,0 inkomsten. En ja, dus toen kon ik van dat loontje kon ik niet leven. En ik heb dit werk altijd wel met veel plezier gedaan hoor. Anders had ik het zo lang niet volgehouden.

ANGELA: Ik zie ook de passie in je ogen als je het over je vak hebt.

TON: Ja. En zeker als het over kabels gaat. Ik ben echt iemand van kabel trekken. Meer als van graven en dat vind ik allemaal niks. Maar als we kabels moeten trekken, dat vind ik altijd interessant.

ANGELA: En zo’n ploeg aansturen?

TON: Ja, dat is ook mooi. Het is wel heel mooi als je een grote ploeg hebt. Met drieën, is het toch iets minder.

ANGELA: Wat maakt dat minder dan?

TON: Het is veel directer he. Kijk, alles wat ik zeg dat we moeten doen, dat wordt meteen gedaan. Als je een grote ploeg hebt dan zeg je, dan heb je met meer te maken.

ANGELA: En je zei eerder ook van als ik toen geweten had dat, dan had ik…?

TON: Nou, ik was er wel aan begonnen, maar kijk, op een gegeven moment speelt dat en dan denk je potverdorie, dat is toch ook mooi. Ik denk dat iedereen dat heeft hoor. Dus ja, het is niet zo van ik wilde per se iets anders. Het was gewoon zo, dat was een passie. Je ziet dat om je heen. Ik ken veel mensen die in de gezondheidszorg werken. Ik ben zelf heel veel met mensen bezig geweest altijd.

ANGELA: Zijn er bepaalde vaardigheden die je gebruikte in het vrijwilligerswerk in de gezondheidszorg die je ook gebruikt voor je huidige werk als voorman?

TON: Jawel. Ik kan denk ik, mag ik van mezelf zeggen, dat ik heel goed met andere mensen op kan schieten. Ik heb zelden ruzie. Ik kan een klein voorbeeldje geven. Op een gegeven moment hadden we een behoorlijk groot project in Eindhoven langs de A2. Stuurbare boringen en noem maar op. Alles erop en eraan. En ze hadden 2-3 trekken gedaan en het was allemaal niks. Het ging allemaal fout. Kabels beschadigd, dit en dat. En toen hadden ze op een gegeven als ze een trek hadden dan moest ik erheen om die trek te doen. Maar wat ik straks al zei, het is lastig als je zelf niet kan zeggen dat moet je zo graven en dit moet je zo graven. Dus ik kom daaraan. Ligt er een puinhoop. Heel veel water in de sleuven, blubber in de sleuven. Dus ik zei eerst opknappen. “Ja, maar.” Ik zeg eerst opknappen en dan gaan we pas. Want we moeten zien wat we doen onder in de grond. Dus toen hebben ze dat gedaan.

Op een gegeven moment er waren twee ploegen samen aan het werk, want het was een groot karwei, en Pietje praatte niet met Jantje. Jantje niet met Pietje. Maar ik was er alleen maar elke keer om die kabel te trekken. En het liep niet meer. Op een gegeven moment hebben ze gezegd: ga jij maar op dat project. Ik zeg, ja, dat wil ik wel, maar ten eerste: morgen wil ik hebben dat ze allemaal bij mekaar komen, jullie erbij zijn en dat ze eens praten. Dat het uitgepraat wordt onder elkaar. Nou, die jongens die kwamen bij mekaar. Stonden ze elkaar allemaal aan te kijken. Durft geen mens iets te zeggen op dat moment. En toen heb ik gezegd: “nou, waarom moet jij hem niet en jij hem niet? Wat is dat allemaal voor onzin?” En toen bleek dat dat een paar heel kleine dingen waren die ook nog voor de helft niet klopten. Dat werd vrij snel opgelost. Toen gingen we aan de gang en ja, vanaf dat moment zaten in no time die kabels er allemaal in. Maar daaraan zie je dat ik dat graag doe. En  ik heb ook altijd de schaftwagen bij. Praktisch altijd. En dan heb je nog mensen die in de bus gaan zitten schaften. Ja, daar heb ik een hekel aan. ’s Middags even half uurtje bij mekaar gaan zitten. 

ANGELA: Dat is heel belangrijk.

TON: Ja, de meeste ploegen bij ons doen het niet. Nee, er zijn er wel een paar bij die het ook doen. Maar ik zeg jongen, dat is zo belangrijk, dat je even bij mekaar zit.

ANGELA: Maar dat is ook leuk. Tenminste ik ben toen natuurlijk bij jullie in de keet geweest.

TON: Nou moet ik je wel eerlijk zeggen, die keet had ik speciaal daar neer moeten zetten, omdat jij kwam.

ANGELA: Niet? Echt? Hahahaha.

TON: Ja, maar ik had mijn eigen keet ook wel in Eindhoven staan. Alleen die kon daar even niet weg, want er had iemand anders gebruik van gemaakt. Die keet heb ik altijd bij als ik ergens moet werken en het is langer dan een dag. Niet als ik een dag ergens middenin Eindhoven moet werken. Maar als het langer is, die keet staat er altijd.

ANGELA: Ja, ik ben op meerdere projecten geweest en ook van meerdere bedrijven. En het is altijd zo gezellig in de keet. Het contact is belangrijk.

TON: Dat moet even. Een half uur de zinnen verzetten. En je hebt er bij. Je bent 10 minuten bij mekaar en je hebt het 10 minuten over het werk of 20 minuten. En ze hebben het altijd maar over het werk. Zaterdags, zondags. Sommigen die werken altijd, maar mijn maat en ik we zijn met tweeën, wij hebben het nooit over het werk. Ja, we kunnen weleens ooit zeggen godverdomme nog… Maar na een paar minuten is dat afgelopen. Dan hebben we het over alledaagse dingen. Dat vind ik eigenlijk ook belangrijk.

ANGELA: Waarom vind je dat belangrijk?

TON: Dat vind ik belangrijk. A: weet je dan een beetje wat er speelt met die mensen. En ja, je kan wel altijd over het werk praten, maar dan ben je nog vlug over uitgepraat. En dan begin je over mensen te praten. En daar heb ik een hekel aan. Want mensen die er niet bij zijn, om dan te zeggen, ja dat is een flapdrol… En dat kan je weleens een keer zo tussendoor zeggen. Ik ben vrij direct, ik zeg dat meteen op het werk ook tegen iemand. Maar van de andere kant denk ik bij mezelf als je dan altijd over mensen moet hebben. Het gaat altijd over bazen die er niet bij zijn. Dat vind ik voor van een voorman belangrijk. Dat je een beetje openheid geeft aan die jongens. En dat je zegt van kom bij mekaar zitten, buurt eens.

ANGELA: Dus je moet echt wel goed mensen kunnen inschatten en goed met mensen om kunnen gaan.

TON: Het is gewoon simpel. Als je mensen aanstuurt, moet je wel weten hoe en wat en wanneer je het zegt. En ik ben dan misschien dan nog weleens heel lomp. Want op een gegeven moment dan heb ik het gehad en dan vertel ik precies… Maar dan durf ik naderhand ook gerust mijn excuses te maken. Van ah, sorry, ik heb thuis ruzie gehad… Ja, dat is niet altijd zo, maar het zou kunnen. Ja, dat is eigenlijk wat ik vind wat het werk van een voorman is.

ANGELA: Ton, wat voor een problematiek zie jij in jouw werk? We hebben het over obsoletie, veroudering van menselijk kapitaal. Daar zijn verschillende vormen van. Fysieke en geestelijke slijtage, kennisveroudering, maar ook hoe je aankijkt tegen de ontwikkelingen in je vakgebied. Hoe kom jij dat tegen in jouw vakgebied?

TON: Om te beginnen, zie ik heel weinig of geen jonge aanwas. Dat is een heel groot probleem. En ik denk dat dat niet alleen ligt aan dat de jonge jongens niet meer willen. Ik denk ook dat de bazen het werk een beetje onderschatten. Een monteur die leid je zo op, want ja, monteurs, ja, dat is een speciaal vak. Grondwerken is minder aantrekkelijk. Die grondwerker, als je die van jongs af aan hebt, die kan ook wel wat groeien, maar niet zo veel eigenlijk. Hij kan een keer voorman worden, maar dan houdt het wel een heel klein beetje op. En dan is het punt dat als die wordt aangetrokken via een uitzendbureau.

Maar als ze dan van een uitzendbureau komen, die mannen, die hebben geen voeding met het bedrijf, die geven er helemaal niks om. En nou worden die voormannen steeds ouder, kunnen eigenlijk steeds minder. We krijgen er steeds meer mensen bij die ook niet zo al te veel om het bedrijf geven. Denk dat je daar de boot mee ingaat. Ik denk dat werkelijk. Niet alleen van monteurs, ook grondwerkers over de hele linie gezien. Daar zul jij iets moeten doen, aan jonge aanwas. En al laat je een paar grondwerkers bij wijze van spreken beginnen die weinig of geen scholing gehad hebben. Dat is niet het belangrijkste. Het belangrijkste is dat ze willen werken. Binnen een paar weken zie je of iemand er geschikt voor is. Hij moet het willen. Het is niet altijd even fijn werk. In de zomer dan is het prettig, dan is het lekker. Is het mooi allemaal langs de straat. En dan kom je nog wel aan mensen.

Maar als je altijd via uitzendbureaus gaat gebruiken, nou ja, dan denk ik dat je bedrijf daar last van krijgt. De mensen worden steeds ouder. Dan heb je ook geen voormannen meer. Uitvoerders zijn bij ons ook allemaal uit het bedrijf omhooggekomen. Maar ja, je kunt voor jezelf uitrekenen dat het een keer ophoudt.

ANGELA: En hoe krijg je die nieuwe aanwas dan? Hoe haal je die jongere grondwerkers, voormannen binnen dan?

TON: Ja, dat is als ik dat wist, ging ik er ook een bureau in beginnen. Dat zal heel moeilijk zijn.

ANGELA: Hoe kreeg je ze vroeger?

TON: Ja, ik vertelde al, ik kwam van school af en er stond al iemand aan de deur. En mond op mond reclame. Vroeger werd ook gezegd, van daar moet je zijn, want daar beur je goed, altijd werk. Dat was van mond tot mond reclame. Dat is wel een probleem. Want jongens die weinig geleerd hebben op dit moment gaan denk ik standaard naar een uitzendbureau. En die uitzendbureaus dat zijn de beste niet meer. Wel de jongens die net beginnen. Want daar zitten natuurlijk ook nog goede in. Maar mensen die al 20-30 jaar werken. Die hebben zoiets van het zal wel goed zijn. Ik ga nog een paar jaren bij die werken of bij die werken.

ANGELA: En hoe kijk jij daar dan tegenaan dat in deze tijd het ook veel meer van jongeren wordt verwacht dat ze maar door blijven studeren? Zou dat er ook mee te maken kunnen hebben?

TON: Dat heeft er zeker mee te maken. Maar het is wel zo, ja, ik zou tegen mijn kleinkinderen ook zeggen: doorstuderen. Maar als het er niet inzit, zit het er niet in. Want er zijn ook genoeg jongens die maken zelfs de middelbare school nog niet af. En ik weet zeker dat dat best wel jongens zijn die over het algemeen goed werk kunnen verrichten.

ANGELA: Dus je moet eigenlijk klaarstaan bij die jongeren om ze gewoon binnen te halen?

TON: Eigenlijk zou dat moeten. Dat is ook logisch. Solliciteren gaan ze vaak niet doen. Ja, wel, bij een uitzendbureau. Dan gaan ze bij een uitzendbureau.

ANGELA: Waarom solliciteren ze niet bij een bedrijf?

TON: Ja, dat vinden ze denk ik vaak al moeilijk. Het zijn mensen die niet goed kunnen leren bij wijze van. Dan moet je nog een brief opstellen en zo.  Ik denk dat dat vaak het probleem is. En ze hoeven maar naar een uitzendbureau te gaan en ze hebben werk. Dat is zonde. Want er zitten gegarandeerd heel veel goede krachten bij.

ANGELA: En je zei, het werk is nog wel aantrekkelijk in de zomermaanden. Hoe ziet het werk er dan uit in de wintermaanden? Waar krijgen de mannen, vrouwen misschien wel, mee te maken?

TON: Koud, nat. Vooral nat, koud. Voorheen, een jaar of 15 geleden, dan kwam je uit de zomervakantie, dacht je oh, dat het maar eens januari wordt, want dan is het nieuwjaar, kerst. Dan heb je een week vrij. En dan misschien nog twee weken vorst er achteraan. En dan had je een hoop ellende achterwege. Maar nou, het is nat en koud en ja, daar kun je jezelf op kleden, maar dat is niet het prettigste.

ANGELA: Nee, het weer is ook veranderd natuurlijk.

TON: Het weer is veranderd. Het werk is veranderd. Allemaal ja. Ik denk dat dat het grootste punt is. Op een zomerdag, nou, dan is het heerlijk om buiten langs de straat te werken. Er is van alles te zien, van alles te doen. Ja, dat is wel het fijne van het vak dat mij ook altijd wel aantrekt.

ANGELA: Je zit  dus met de problematiek van de jongere aanwas en hoe je ze binnenhaalt. Ik kan me voorstellen dat ook het fysieke aspect best wel invloed heeft op de mensen die het werk uitvoeren? TON: Dat wel. Maar het is wel van de andere kant zo, jongens die niet te veel met de gedachten kunnen werken, dat zijn wel vaak jongens die met de handen ook wel goed zijn. Dus ja, die ook fysiek wel redelijk in elkaar zitten denk ik.  Als je het goed doet en misschien niet zo gek bent als ik, maar als je het goed doet, dan houd je dat ook lang vol.

ANGELA: Hoe lang kun je het dan ongeveer volhouden denk je?

TON: Ja,  er lopen bij ons mensen rond die zijn 68 jaar en die kan ik niet bijhouden.

ANGELA: Oh echt?

TON: Ja, echt. Dat zijn uitzonderingen. Maar ik denk dat wij aan 65 meer als genoeg hebben.

ANGELA: Ik had altijd het beeld van dit werk is zó zwaar, dat kun je maar een bepaalde duur doen. Dan is ook het lichaam op. Dat is ook gewoon heel normaal, het proces van slijtage, fysieke slijtage, dat hebben we allemaal. Maar hoe zwaarder het beroep, hoe sneller het lichaam slijt. En dat beeld had ik eigenlijk ook altijd bij dit werk. Maar jij zegt als je het goed uitvoert, dan kun je het langer volhouden.

TON: Dat weet ik zeker. Als jij wat jonger aanwas hebt, mensen die wat vaker, die wat langer werken. Het klinkt gek, maar een jongen van 25 jaar kan veel meer ervaring hebben als één van 60 bij wijze van spreken die van een uitzendbureau komt. Die heeft nog geen kabel gezien misschien. Dat gebeurt heel vaak, dat ze nog nooit een kabel gezien hebben. En die komen dan bij ons mee helpen. Maar een jongen die van z’n, van mijn part 17-18 af begint. Ik zou ook liever hebben dat die pas begint met zijn 25 met dat werk. Maar als die jongen heel vroeg begint, als die goed zijn ogen de kost geeft en goed kijkt en meedoet, dan weet ik zeker dat hij het langer volhoudt.

ANGELA: En waar zit hem dat dan in? Wat doe je dan anders? Nou, stel we pakken twee mensen. Eén iemand die het echt gewoon op de verkeerde manier heeft gedaan, die echt gewoon helemaal kapot is fysiek. En iemand die dat gewoon goed uitvoert en daarmee langer volhoudt. Wat doet die anders?

TON: Ja, dat is heel moeilijk precies aan te geven. Maar het is wel zo dat als jij altijd met voldoende en met de goede mensen werk, dan zal je lichaam het veel langer volhouden. Ik was pas met twee monteurs aan de gang. En ik keek zo en ik zeg Mario, moet jij niet naar binnen in de sleuf? Nee, laat hem maar binnen, want die moet dat ook leren. Nou, we stonden met z’n tweeën werkelijk waar, te duwen en we kregen die kabel bijna niet naar voren. En dan komt die binnen en moet die omhoog en die kabel weegt vrij zwaar en die moet je omzetten. Dat is even best wel zwaar werk. Voor ons niet zo, want wij zetten hem in een gat en we duwen een keer en hij staat recht.

Nou, zegt hij, die jongen moet dat ook leren. Ik zeg, ja, dat is goed. Wij duwen en kregen er geen beweging in. Ik zeg, wissel dan maar. Ja, is goed, zegt Mario. Hij ging naar binnen in het gat. En die pakte hem aan. En ik duwde hem en die andere jongen moest uit dat gat komen om mij te komen helpen. Ik duwde hem bijna met één hand erin. Ik duw hem zo naar binnen. Kost helemaal geen moeite. Maar van tevoren hebben we best wel een minuut of tien echt flink lopen duwen. Kijk, en dat zijn nou de dingen. Die jongen moet dat inderdaad ook leren. En dat is het hele eieren eten. Je hebt vakmannen en mensen met goede wil. Maar je moet het alle twee hebben. Je moet van goede wil zijn en je moet het een beetje kunnen.

ANGELA: Dus je moet het vak echt snappen? Je moet niet alleen doen. Je moet het snappen en slim werken eigenlijk?

TON: Ja. Want je kunt van alles berekenen. We moeten een kabel erin trekken, er moet een trekzegel tussen. Hoeveel kilo moet dat zijn? Dat kan je allemaal berekenen. Maar dat is allemaal peanuts. Dat hoeft niemand te weten. Je moet weten hoe je het door de geul moet krijgen, hoe dat je niet te hoog, te laag doet. Dat zijn allemaal belangrijke dingen. En die berekeningen en zo, dat hoeft allemaal niet. Ja, dat moeten wij wel doen. Een voorman die dient dat te weten. Maar die jongens dienen te weten van oh, dat moet zo en die kabel weer zo pakken. Moet je met een rechte rug tillen. Dat weten we allemaal wel, dat we dat moeten doen. Dat is het hele punt niet.

Maar kijk, als ze dan zeggen ja, maar je mag niet meer dan 25 kilo tillen, dan denk ik bij mezelf, ja, dan moet je de kabel in stukken zagen. Ja, dat werkt niet. Dat kan ook niet. Soms is het weleens wat zwaarder. Maar op zich is dat ook niet erg. Dat kan ik ook handig af. Dat weet ik zeker. Nou nog.

ANGELA: Maar is dat ook het advies wat je geeft aan andere vakmannen-en vrouwen van blijf in beweging? Helpt dat ook?

TON: Uiteraard zeg ik dat wel. Maar ik ga niet over het privéleven van een ander natuurlijk.  Dus daar zeg ik op zich weinig van. Maar wat wij wel goed in de gaten houden, dat ze goed tillen. Daar houden wij wel degelijk veel rekening mee.

ANGELA: Want hoe lang mag je nog werken voordat je met pensioen gaat?

TON: Ja, ik denk nog vijf jaar. Ik moet tot m’n 67 werken.

ANGELA: En hoe ga je dat nog volhouden dan?

TON: Toch een keer dan wat minder sjouwen. Ja, er valt nog wel andere dingen te doen. Maar ja, in ons beroep is dat maar weinig.

ANGELA: Wat ik de afgelopen jaren ook wel regelmatig heb gehoord, is nou ja, vroeger had je natuurlijk ook echt de leermeester. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Zie jij daar mogelijkheden in voor jezelf en voor het vakgebied ook?

TON: Nou, het mooiste is als het was net als vroeger. Ik had vroeger een voorman. Die man die heeft mij nog letterlijk voorgedaan hoe dat ik moest graven met een schop. Ik denk ja, jongen, lul toch niet, dat kan ik wel. Maar toen zaten we in de klei. Hij zei, ja, maar dat moet je zus en zo doen. En dan brak ik een schop en dan oh, dan werd hij ook wel boos. Alweer een schop? En dan deed hij dat voor. Soms zie ik mensen met een schop werken. Dan denk ik bij mezelf “jongen, als je zo moet blijven werken dit jaar, dan haal je het einde van het jaar niet.” Dus dan doe ik dat ook nog weleens voor.

Maar er wordt heel weinig of niks meer gedaan aan opleiding. De grondwerker wordt niet meer echt opgeleid. Maar ja, een man bij ons nou van 60 jaar die hoef ik niet te zeggen hoe het moet. Die weet het wel. Maar als er nou jonge jongens bijkomen, dan kan je ze daarop wijzen. Opleiding voor monteurs zal zeker heel belangrijk zijn. Voorheen hadden wij een oude monteur die dat deed. Die deed opleidingen op de zaak dan meestal. Jonge monteurs opleiden. Werkte toen ook nog af en toe. Dus dat was wel heel goed. Maar ja, in het grondwerk, ja, eigenlijk niks.

ANGELA: En dat zal wel moeten eigenlijk?

TON: Ja, maar dan kom ik weer op hoe komen jonge jongens aan?

ANGELA: Dus meer focus op het binnenhalen van jonge jongens? Ze goed opleiden, ze goed het vak leren. Dat het vak meer inhoudt  dan gewoon een schop in de grond zetten.

TON: Ja, een schop in de grond kan iedereen. Maar die schop eruit halen dat is al moeilijker voor sommigen.

ANGELA: Dank je wel, Ton. Ik vond het echt heel interessant en heel mooi hoe je over je vak vertelt. En het heeft me ook weer heel veel nieuwe inzichten gegeven.

TON: Ik hoop dat je er iets aan hebt.

ANGELA: Ja. Dat heb ik zeker. Dank je wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Begin typing your search term above and press enter to search. Press ESC to cancel.

Back To Top